In Figuur 2 is te zien dat de instroom van bewoners uit de veertig wijken in 2008 en 2009 in gebieden tot en met een matig positieve leefbaarheid redelijk omvangrijk is. De nieuwe bewoners in gebieden met een zeer negatieve of negatieve leefbaarheid komen voor circa veertig procent uit de veertig wijken. Voor gebieden met een matig positieve leefbaarheid is dat nog altijd dertien procent.16 Gebieden waarvan de leefbaarheid positief of beter is, hebben zeer weinig instroom van bewoners uit de veertig wijken. In gebieden met een positieve leefbaarheid komt zes procent van de totale instroom uit één van de veertig wijken, voor zeer en uiterst positieve leefbaarheidsgebieden gaat het om twee procent. Wanneer de instroom vanuit de veertig wijken gedifferentieerd wordt naar inkomen, is te zien dat de instroom vanuit de veertig wijken naar gebieden tot en met een matig positieve leefbaarheid in meerderheid uit lagere inkomensgroepen bestaat (zie Figuur 2). De instroom vanuit de aandachtswijken in gebieden met een leefbaarheid van positief of beter bestaat in meerderheid uit midden- en 16 Daarbij moet bedacht worden dat slechts vijf procent van de bewoners in één van de veertig aandachtswijken woont. Een instroom van 40 of 13 procent vanuit de aandachtswijken is vergeleken daarmee dus een relatief groot aandeel. hogere inkomens. Zo bestaat naar schatting slechts drie procent van de totale instroom in gebieden met een positieve leefbaarheid uit huishoudens die behoren tot de dertig procent laagste inkomens. Aangezien de instroom in gebieden met een leefbaarheidsscore van positief of beter voor het overgrote deel uit midden- en hogere inkomensgroepen bestaat, ligt het niet in de lijn der verwachting dat dit voor de leefbaarheid van de ontvangstgebieden negatieve gevolgen heeſt. Ook wanneer naar de verhuizingen van de niet-werkende werkzoekenden (nww-ers) wordt gekeken, komt dit patroon naar voren (zie Figuur 3). Het merendeel van de nww-ers verhuisde naar een gebied met een leefbaarheidsscore tot en met matig positief (de potentiële ontvangstgebieden). Vooral de verhuizingen naar wijken buiten de aandachtswijk zelf vonden plaats naar een van deze gebieden. Met andere woorden, de kans dat een waterbedeffect optreedt als gevolg van verhuizingen vanuit de veertig wijken is vooral aanwezig in gebieden met een leefbaarheid tot en met matig positief. De gebieden met een leefbaarheid tot en met matig positief worden in dit onderzoek daarom benoemd als de potentiële ontvangstgebieden. In de casusanalyse wordt ook ingegaan op de instroom in gebieden die zich rond de zogenaamde ‘omslagpunten’ bevinden. Dit wordt verder toegelicht in paragraaf 2.6. Figuur 3 Aantal ‘ontvangen’ verhuizende nww-ers als percentage van het totaal aantal inwoners in het potentiële ontvangstgebied 0,12% 0,10% 0,08% 0,06% 0,04% 0,02% 0,00% Naar gebied t/m matig positief Naar gebied vanaf positief Aandachtswijk zelf Aanliggend gebied Rest van de stad Rest van de regio Bron: Atlas voor gemeenten obv data UwvWerkbedrijf 16 Waterbedeffecten van het wijkenbeleid Waterbedeffecten van het wijkenbeleid Pagina 17

Pagina 19

Voor presentaties, online vaktijdschriften en gidsen zie het Online Touch CMS systeem. Met de mogelijkheid voor een web winkel in uw edities.

Waterbedeffecten van het wijkenbeleid - 2008-2010 (eerste herhalingsmeting) Lees publicatie 2Home


You need flash player to view this online publication